Interview met Richard de Nooy

Publicatiedatum: 29-05-2017

De in Zuid-Afrika opgegroeide Richard de Nooy (1965) schrijft zijn romans en korte verhalen zowel in het Engels als het Nederlands. In zijn nieuwe roman Van kleine helden is hij op z’n best. Hij viert op grootste wijze de menselijkheid.

Er vallen allerlei literaire connecties te maken met het boek in de hand, los van het 'messiaanse' karakter, de Odyssee van het leven. Heb je naar die handvatten gezocht, gaven ze steun bij de vorm, bij het schrijfproces? De eerdere romans, zonder ze af te vallen, lijken vormtechnisch en thematisch de opmaat voor dit magnum opus van barmhartigheid.

Ongeveer vijfentwintig jaar geleden ben ik een huwelijk aangegaan met een bepaalde vorm. Ik wist toen nog niet dat ik er zo lang aan vast zou zitten. Veel schrijvers duiken met hun debuut in het verleden en maken zich al schrijvend daarvan los zodat ze zich aan andere zaken kunnen wijden. Omdat ik redelijk laat ben begonnen had ik meer verleden te verwerken. Bij mij werd het een trilogie, die los van elkaar, in willekeurige volgorde gelezen kunnen worden.

Bovendien maakte ik ook steeds Engelse versies van mijn romans, waardoor ik in wezen zes boeken lang een verplichting ben aangegaan met een nogal specifieke vorm: een soort dossierformat, waarbij het verhaal fragmentarisch wordt verteld via allerlei verschillende dragers, zoals brieven, doctorsverslagen, citaten uit wetenschappelijke teksten, dagboeknotities, interviews met personages, korte verhalen enzovoort. Dat was lange tijd een handige vorm omdat ik steeds schrijfuren bijeen moest sprokkelen, maar op een gegeven moment wou ik me losmaken uit dat quasi-journalistieke keurslijf.

Het was dan ook een feest toen ik tijdens het schrijven van mijn derde roman, Zendingsdrang, een wat lossere vorm vond, die mij meer speelruimte gaf maar nog steeds heel mooi binnen het dossierformat paste. In die roman komen een aantal ‘wolven’ aan het woord – een kindsoldaat, een scherpschutter, een vrouwenhandelaar, een terrorist – die ieder een bekentenis afleggen over hun misdadige, verwrongen levens. Ze doen dat via de pen van de verteller Deo, een oorlogscorrespondent die vastzit in een soort Pieter Baan Centrum waar zijn toerekeningsvatbaarheid wordt onderzocht. ’s Nachts probeert Deo het verleden, zijn eigen traumatische ervaringen, van zich af te schrijven. Maar dan komen juist de wolven uit het bos geslopen. Dat was heerlijk voor mij als schrijver. Die bekentenissen, die ieder door een eigen stem worden verteld, vond ik een mooie vorm om verder te ontwikkelen.

Van kleine helden is misschien het best te vergelijken met een diamanten collier, waarin grotere en kleinere stenen bijdragen aan het geheel. De stenen zijn verhalen die ieder vanuit het oogpunt van een andere personage worden verteld. Ze zijn thematisch nauw met elkaar verbonden, omdat ze allemaal barmhartigheid (‘kindness’) vanuit een andere invalshoek belichten/verkennen. De onderdelen zijn verbonden door een montuur: het verhaal van de hoofdpersoon, die steeds opduikt in en om de verhalen van de verschillende personages.

Deze vertelvorm komt deels voort uit een andere gewoonte die ik in de loop der jaren heb ontwikkeld. Ik schrijf namelijk redelijk gedetailleerde profieltjes voor alle figuranten in mijn romans, zodat ze ieder met hun eigen intenties en vanuit hun eigen achtergrond de interacties kunnen aangaan met mijn hoofdpersoon. Hierdoor worden de interacties en dialogen waarachtiger en krijgen de figuranten meer diepte, omdat ze meer zijn dan tweedimensionale klankborden voor de hoofdpersoon.

In Van kleine helden heb ik dit proces nog verder doorgevoerd en wordt het hoofdverhaal eigenlijk verteld aan de hand van de verhalen van verschillende figuranten. Je zou kunnen zeggen dat de biografietjes tot hoofdmoot zijn gepromoveerd. Pas later zag ik de overeenkomsten met de Bijbel, waarin het verhaal van Jezus bijvoorbeeld wordt verteld via de getuigenissen en verhalen van anderen.

Een van de personages verwijst ook naar de vertelvorm die vaak wordt gebruikt in detectiveseries, waarin de hoofdpersoon steeds een nieuwe zaak moet oplossen, met allerlei nieuwe personages, die ieder hun eigen drijfveren hebben, terwijl de hoofdpersoon zelf ook stoeit met zijn eigen overkoepelende verhaal, dat vaak in de persoonlijke sfeer ligt en steeds weer even voorbij komt: een drankprobleem, een huwelijk dat op knappen staat, een persoonlijk trauma uit het verleden, een intern onderzoek naar vermeende malafide praktijken van de hoofdpersoon.

Waar ik me echter op verkeken heb is de hoeveelheid voorwerk dat je als schrijver moet verrichten om al deze verschillende personages overtuigend neer te zetten. Het is dan ook niet vreemd dat zo’n detectiveserie vaak door een team schrijvers wordt gemaakt. Bovendien voegen de acteurs ook nog hun eigen interpretatie en diepte toe aan de rol die ze moeten spelen. Maar bij het schrijven van mijn nieuwe roman moest ik als eenling in de huid kruipen van al die verschillende personages om hun verhalen overtuigend te vertellen. Gelukkig zijn er weinig dingen die ik liever doe.

De verhalen spelen zich in vijftien verschillende landen af en hebben ook nog ieder een eigen vorm, kleur en smaak. Hoe is dat in zijn werk gegaan?

Als ik aan mensen vertel dat Van kleine helden zich in zo veel verschillende landen afspeelt, dan vragen ze bijna zonder uitzondering of ik ook daadwerkelijk in die landen ben geweest. Mijn wedervraag aan hen is dan of ze meer te weten zijn gekomen over Frankrijk of Spanje tijdens hun vakanties in die landen of door de boeken en films die ze uit die landen hebben gelezen en gezien. Waar het op neer komt is dat je als schrijver veel meer uit het laatste haalt dan uit een bezoek aan die landen, waarbij het vaak gissen blijft naar de specifieke cultuur, geschiedenis, omgangsvormen en complexere beweegredenen van personen in een bepaald land.

Ik heb in de loop der jaren via boeken, films en andere media heel wat geleerd over West-Europese landen. Bovendien heb ik al die landen ook daadwerkelijk bezocht. Je zou kunnen zeggen dat Noorwegen, Zweden, Denemarken, Duitsland, Tsjechië, Oostenrijk en Italië allemaal bekend terrein zijn. Maar ik ben voor de zekerheid ook steeds te rade gegaan bij lokale experts, die het verhaal dat ik had geschreven onder de loep namen en becommentarieerden. Hierbij moet ik mijn dank uitspreken aan Victor Schiferli van het Nederlands Letterenfonds, die mij in contact bracht met vertalers uit al die verschillende landen, die mij aanwijzingen gaven. Dat varieerde van namen die ik had gekozen (die moeten goed passen bij de personage en zijn/haar leeftijd. Hoe heten Sjonnie en Anita in Tsjechië?) tot bepaalde omgangsvormen en beroepen (hoe zou personage A zich in Italië verhouden tot personage B?).

Toen ik terecht kwam in terra incognita (dat begon bij mij ergens in Slovenië) moest ik me echt gaan inlezen. Ik heb gekozen om dat te doen via verhalenbundels en romans, soms ook films, en meestal ook de Wikipedia-pagina over het land, die een redelijk overzicht geeft van belangrijke gebeurtenissen uit het verleden en vaak ook verwijst naar andere bronnen.

Het mooie van verhalenbundels is dat je het land en haar cultuur, tradities en bewoners door de ogen van een groot aantal schrijvers krijgt te zien. Opvallend daarbij is dat er vaak wel een bepaalde sfeer en benadering van de wereld valt te herkennen. En dan kom je erachter dat de verschillen tussen Sloveense, Kroatische, Servische en Turkse verhalen, qua stijl, thematiek enzovoort, even groot zijn als de verschillen tussen Noorse, Duitse en Italiaanse verhalen.

Ik heb geprobeerd om die verschillen ook weer te geven. Ook in die minder bekende landen heb ik veel gehad aan de vertalers die ik raadpleegde. Vaak verwezen ze naar bepaalde films of documentaires, die inzicht verschafte in bepaalde relaties, of ze stuurden foto’s van personen of plaatsen waarmee ik mijn verhalen kon aanscherpen of kon voorzien van meer detail. Het is ook heel handig om in de lokale taal te zoeken naar beeldmateriaal uit een bepaald land. Zo was ik via internet te gast op een huwelijk in de feestzaal van een hotelletje in Bulgarije, maar kon ik ook grasduinen op de Turkse versie van de huizensite Funda, toen ik zocht naar een geschikte woning voor een personage aldaar.

Soms was ik zo onder de indruk van een bepaald verhaal, dat ik besloot om een setting of gebeurtenis of personage te verwerken in mijn eigen verhaal. In Kroatië bijvoorbeeld komt de lezer op een bizarre begrafenis terecht, die is geïnspireerd door een wonderlijk verhaal van Zoran Ferić, wiens naam ik als eerbetoon heb gegeven aan een van de hoofdpersonen in dat verhaal. En in Syrië heb ik schrijfster Samar Yazbek tot hoofdpersoon verheven na het lezen van haar indrukwekkende biografie Vrouw onder vuur. Zo zitten de verhalen van lokale schrijvers in mijn eigen verhalen verweven, met het doel om de juiste kleur en toon te verkrijgen.

De droom van een verenigd Europa lijkt ook rond te waren in het boek. De bijna smachtende drang naar vervlogen dagen van gemeenschapszin. Met daarin het individualisme, het kleine geluid dat ver draagt. Het belang van de eenling die het verschil maakt, dwars tegen de vervlakking in. De schrijver niet alleen als verhalenverteller, maar ook als leverancier van wensgedachten, als visionair, als sluitpost tegen de keer.

Omdat ik buiten Europa ben opgegroeid, in Zuid-Afrika, waar toen nog apartheid heerste, heb ik meegemaakt hoe het is om te leven in land waar maximale ongelijkheid bestaat en de onrust die daarmee gepaard gaat. Ik ben dan ook heel dankbaar om in een land te wonen waar de verschillen tussen arm en rijk veel minder groot zijn. Soms vraag ik me af of mensen in Nederland en elders in Europa beseffen hoe belangrijk die verworvenheden zijn: de solidariteit, de gemeenschapszin, het streven naar een basisinkomen voor families, waardoor kinderen gelijke kansen krijgen los van hun economische achtergrond.

In mijn directe omgeving bijvoorbeeld ken ik meerdere mensen die als eerste in hun familie de kans hebben gekregen om naar de universiteit te gaan, waardoor ze hun leven naar een hoger plan konden tillen. Ik ben dan ook voorstander van de Europese gedachte waarbij rijkere landen steun verlenen aan landen waar het minder goed gaat. Uiteraard is het belangrijk om kritisch te blijven, maar het is even belangrijk om te zorgen dat je de kerngedachte, de voordelen van die solidariteit, niet uit het oog verliest.

Bovendien blijft het mij fascineren dat er zulke grote culturele verschillen kunnen bestaan binnen Nederland en Europa, maar ook dat die verschillen gefundeerd zijn op grote overeenkomsten, het besef dat de basisbehoeften van mensen vrijwel overal hetzelfde zijn. Dat zie ik vooral terug in de overeenkomsten binnen bepaalde beroepsgroepen. Ik voel bijvoorbeeld een veel grotere verwantschap met schrijvers uit verschillende landen, dan met het gros van mijn landgenoten. Hetzelfde zal ongetwijfeld gelden voor een visserman, een bankier of een soldaat. Die verwantschap is grensoverschrijdend en staat boven het paspoort dat je bij je draagt.

Maar de verschillen, de ongelijkheid, blijft natuurlijk bestaan, want er is ook een wereld buiten Europa. In Van kleine helden is het aannemelijk dat een oudere, blanke man vanuit Noorwegen door West Europa reist en vervolgens door de Balkan naar Turkije, Syrië, Libanon en Israël. Maar het is nauwelijks voor te stellen dat een oudere, zwarte man zo’n reis zou kunnen ondernemen en dezelfde gastvrijheid zou ondervinden. Die gedachte wordt dan ook uitgesproken door de Sloveense schrijver die een hoofdrol speelt in een van de verhalen. Dit boek bood mij dus ook de mogelijkheid om via allerlei personages dit soort vragen te stellen, dit soort gedachten en ideeën te verkennen.

Dit keer ben ik vier jaar met het boek bezig geweest. En de vorm blijft boeien omdat ik momenteel met evenveel plezier werk aan de Engelse versie. Als die af is gooi ik het roer helemaal om en ga ik verder met een non-fictie project, dat al een tijdje in de maak is en totaal andere eisen stelt, maar ook weer uit een mozaïek van personages zal bestaan. Of liever gezegd: een lange, donkere gang met kamertjes aan weerszijden.

Terug