Interview met Richard Russo

Publicatiedatum: 24-08-2017

De Amerikaanse schrijver Richard Russo (1949) won in 2002 de Pulitzer-prijs voor zijn tragikomische roman Empire falls, waarin hij het dagelijkse overleven van goedbedoelende mensen in een stadje op retour beschrijft, zoals in al zijn werk met veel mededogen. Russo is een rasverteller, zoals ook blijkt uit Nobody’s fool, een klassieker uit 1993, die in 1994 met Paul Newman in de hoofdrol werd verfilmd, en afgelopen jaar in het Nederlands verscheen onder de titel Niemands gek.

Een logische keuze van de Nederlandse uitgever, want ook tot zijn eigen verbazing was Russo in 2011 teruggekeerd naar het stadje Nort Bath waar Niemands gek zich afspeelt, om er schrijftechnisch bijna vijf jaar te blijven. Met als resultaat: Everybody’s Fool, opnieuw een lijvige inkijk in de beweegredenen van de bewoners, in het Nederlands uitgebracht als Allemans gek.

Hoe kwam u ertoe om na zo’n lange periode ineens weer terug te keren naar de personages uit Niemands gek?

Bij stom toeval eigenlijk. Op een feestje werd mij een anekdote verteld over een man in een achterafgelegen huis die hoog in een boom een dikke tak afzaagt en bemerkt dat hij, gezeten op de stomp, niet meer naar beneden kan. Zijn vrouw is weg en zijn vriend die hem zou helpen is niet komen opdagen. Die geschiedenis bleef me achtervolgen. Een paar dagen later dacht ik: zoiets zou alleen Rub, de dommige hulp van Sully, kunnen overkomen. Ik liet het erbij totdat ik op een receptie door iemand werd aangeschoten met de anekdote over de politiecommandant van een naburig plaatsje. De man vermoedde dat zijn vrouw vreemdging. Hij bespioneerde haar tijdens zijn rondes. Op een dag vond hij een afstandsbediening van een garagedeur in haar auto. Hij reed maandenlang straat na straat af en probeerde overal de garagedeuren. Alsof zo’n ding uniek zou zijn.

De verhalen komen naar je toe?

Ja, je wordt door je omgeving ergens toe aangezet, toe verleid, maar ergens in mij sluimerde al jaren het idee dat ik terug wilde keren naar de wereld van de zoektocht naar simpel geluk, naar de wereld van mijn koppige vader. Hij kwam me tijdens het schrijven weer een stuk nader. Wel nog zo nu en dan met het hoofd en de stem van Paul Newman. De anekdote over de politiecommandant was de laatste duw. Wie kon ik die rol geven? De tegenstander van Sully, de slome politieagent Doug. Iemand die totaal niet had gefunctioneerd, was natuurlijk juist gepromoveerd. Van die ontwikkelingscurve kon ik mooi gebruikmaken.

Was het makkelijker werken met de bekende basis?

Niet makkelijker, niet moeilijker dan doorgaans. In feite moest ik voor elk personage allereerst een totale vervolgbiografie schrijven, voordat ik aan de slag kon. Ik heb ‘het eerste deel’ eerst maar eens gelezen. Een zeer aparte ervaring, aangezien ik eigenlijk maar zelden herlees. Alleen als het strikt noodzakelijk is, voor een scenario bijvoorbeeld. Je hebt toch altijd de neiging om te gaan schrappen, te gaan herschrijven, ook al weet je dat het uit den boze is. Na een pagina of vijfenzeventig verloor ik die drang. Je kunt details aanscherpen, maar het totaal kun je alleen maar ruïneren. Je bent niet meer de mens van toen. En juist dat is bij een ’vervolg’ zo interessant. In feite analyseer je jezelf als schrijver ook opnieuw.

Is Allemans gek daardoor een stuk donkerder geworden, het cynisme van de ouderdom?

Sully heeft het aan zijn hart, de vrouwenversierder Carl heeft het nu uitgerekend juist aan zijn prostaat, Vera leidt aan dementie en de eenbenige advocaat Wirf is dood. Maar al deze zaken vallen onder het kopje ‘de natuur’. We worden allemaal ouder. Maar in het eerste boek was het gevoel van slechtheid, het kwade niet zo manifest als in dit boek, waar je zelfs letterlijk een slang in de tuin hebt. Een hele groep ontsnapte serpenten houdt een woonwijk in de wurg(slang)greep. De slangen- en drugshandelaar werkend onder de alias William Smith doet hetzelfde. Ex-bajesklant Roy Purdy liegt en bedriegt, maar dat hoort als het ware nog bij de gemeenschap. De valse professor aan de universiteit Kurt, is van een totaal andere orde. Hij manipuleert en tormenteert mensen voor zijn eigen intellectuele plezier. Alleen omdat hij het kan. Ik ben mij nu van dat soort slechtheid meer bewust dan in de jaren tachtig, negentig. Waren dat soort zaken er vroeger niet? Waarschijnlijk ben ik stuk minder naïef, vooruit, ietwat cynischer dan voorheen.

Was het lastig om de twee boeken te balanceren?

Ik heb me daar eigenlijk niet direct mee beziggehouden, althans niet erg bewust. Ik heb altijd een voorliefde gehouden voor het eerste boek, maar ik heb me daarom als schrijver niet extra loyaal gedragen ten opzichte van de tekst, of ten opzichte van de ervaren lezers die het eerste deel hadden gelezen. Let wel, in Amerika, zat er ruim twintig jaar tussen beide uitgaven. Maar ik heb begrepen dat ook in het Nederlands de beide boeken elkaar niet bijten. Waarschijnlijk heb je er toch een speciaal soort zintuig voor. Mijn loyaliteit gold in eerste instantie de personages van het tweede boek en de lezers die het op een zekere dag zouden gaan lezen. Niets wat ik deed in ‘het vervolg’ kon in feite het eerste verpesten. Dat boek is een aparte entiteit, waarin niets veranderd kon worden. Andersom was het gevaarlijker. Wanneer ik teveel rekening had gehouden met het eerste boek, had het de geboorte van de tweede wel degelijk kunnen dwarsbomen. Allemans gek is voor mij beslist geen nakomertje. De twee boeken zijn neven van elkaar.

Het einde van het boek is toch weer hoopvol, de personages zijn uiteindelijk tevreden met hun lot.

Al mijn boeken zijn voorzichtig hoopvol. In Empire Falls krijgt Miles Roby niet het leven dat zijn moeder voor hem wilde. (Een ontsnapping aan de plaats Empire Falls zowel als aan mevrouw Whiting.) Maar Miles zelf concludeert uiteindelijk dat het beter is voor hem om als een echte kerel te leven in zijn geboorteplaats dan elders, ‘op een betere plek’ te simmen. In Brug der zuchten vertelt Lynch dat hij met zijn vrouw naar Venetië zal afreizen. Hij weet dat het een leugen is, want hij heeft al een vluchtplan voorbereid. Aan het einde van het boek reizen ze daadwerkelijk af. Een demonstratie van hoe ver hij is gekomen. Maar het is duidelijk dat mijn boeken geen Hollywood happy endings hebben. Het einde is vaak klein en zwaarbevochten geluk, zoals de meeste happy endings in het leven zelf. Ik ben een gelukkig mens, en ik probeer me daar elke dag bewust van te zijn. We leven in een tijd waarin, vooral door mensen die het meeste geluk hebben gehad, veel wordt geklaagd. Het enige voordeel van ouder worden, is dat je perspectief genuanceerder wordt, als het goed is. Ik ben altijd iemand geweest van het halfvolle glas, maar dat komt omdat het mijne altijd wel voor driekwart was gevuld.

Er komt ditmaal ook behoorlijk wat rassenproblematiek aan de orde.

Ik heb politiecommandant Doug een zwarte assistente gegeven en haar broer is een voorbeeldige rechercheur in de succesvolle buurtgemeenschap. Voor de deur van het appartement van Doug, zit de oude meneer Hynes op een krukje naar de voorbijrijdende auto’s te zwaaien. Het was grappig én een uitdaging om hen te introduceren in mijn lelieblanke fictionele wereld in het rurale gedeelte van de staat New York. Je zou denken dat het racisme eerder welig tiert in een multiculturele omgeving, maar vaak is het tegenovergestelde waar. In Amerika vreest men emigranten het meest op plekken waar ze eigenlijk nauwelijks voorkomen. Mensen met vooroordelen met betrekking tot ras en emigratie zijn meestal geconcentreerd in homogene plattelandsgebieden. Ze vrezen dat het weinige wat ze nog hebben van hen af wordt genomen. Dit zijn doorgaans Trump-stemmers, die ontkennen racistisch of zelfs maar xenofoob te zijn. In dat kader is het wel een gotspe dat de literaire journalisten in Amerika het boek ‘zeer actueel’ noemden. Alsof ik niet altijd over stadjes op het platteland heb geschreven met witte mensen uit de arbeidersklasse, waar iemand zoals ik, die ging studeren, eerder verdacht is dan geacht.

Iedereen in het boek maakt een sterke ontwikkeling door, maar Doug Raymer is degene die van allemans gek uiteindelijk een gevierd man wordt.

Min of meer gevierd, dankzij de vaak bedenkelijke invloed van de media. Het ene moment is hij het lachertje van de stad, het volgende moment de held. Voor het grootste gedeelte doordat de media de boel opklopt, ze een held kunnen gebruiken in hun kolommen. Eigenlijk zijn de arrestatie van de topcrimineel en het onschadelijk maken van een gevaarlijke slang eerder toevallige zaken. Het geluk speelde een grote rol.

Alsof Doug geen eigen identiteit heeft?

Dat fascineerde me bovenal. Hij bestaat uit de meningen van derden. Zodra hij een gek wordt genoemd, wordt hij er ook eentje. Noemen anderen hem een held, dan is dat maar zo. De wijsheid van Raymer is dat hij uiteindelijk aan geen van beide kwalificaties veel waarde hecht. Ze zijn beide niet echt geworteld in de realiteit. Ik heb maar weinig echte overtuigingen, maar als mens en als schrijver ben ik de mening toegedaan dat er geen ‘kleine levens’ zijn. Waar Doug Raymer in het eerste deel door mij als een pion rond is geschoven, heeft hij mij in het nieuwe boek bij de kladden gepakt en geëist dat hij als een echt mens neer zou worden gezet, iemand met een leven, met een verhaal, net zo groots als dat van iemand anders.

En ondertussen weeft u uw eigen ideeën over schrijven door de tekst?

Uiteindelijk vertel ik ook een verhaal, en laat daarin stiekem mijn eigen credo met betrekking tot verhalen vertellen doorschemeren. Ik laat de personages aan de lezer uitleggen wat ik het meeste waardeer in dat kader. De zelfanalyse, het desperate pogen van Doug om zich aan de verhalen te onttrekken. Maar tegelijk laat ik ook zien wat er misgaat, wanneer je geen band heb met wat je vertelt. De eerwaarde Tunic kletst maar door bij de grafrede voor de rechter. Hij houdt geen rekening met de toehoorders. De verteller, de schrijver moet duidelijk maken waarom het belangrijk genoeg is om te delen. Sully is wat dat betreft een professional in de orale traditie. Hij steelt het verhaal van Rub, zittend boven in de boom, maakt het zich eigen en slijpt het keer op keer, ondertussen het effect op de toehoorder steeds weer aanpassend. Mijn vader was een meesterdief van verhalen. Dat is natuurlijk wat de schrijver eigenlijk doet: zich laten inspireren en een verhaal aanscherpen.

Foto: Camille Gévaudan

Terug