Een trouwe vrouw van Jane Gardam

Het kan even duren, maar soms valt een vertaling jaren later ineens in goede aarde. Het overkwam de hier ten lande voordien niet zo bekende Jane Gardam (1928) – een Engelse veelvuldig bekroonde schrijfster van ruim dertig fictietitels voor kinderen en volwassenen – met Een onberispelijke man, het eerste deel van haar trilogie rond het oer-Engelse echtpaar Betty en Edward Feathers. Het hielp natuurlijk dat een bekend boekenpanel het tot Boek van de Maand uitriep.

Een trouwe vrouw is het tweede onafhankelijk te lezen deel van de serie. Daar schuilt natuurlijk ook een deel van het vakwerk in. Het tegelijk kunnen plezieren van nieuwkomers en lezers die bekend zijn met de personages en het decor. Gardam is een echte verhalenverteller, een sfeerschepper. De roman begint wat gereserveerd, als een man met een stiff upper lip. Dat past bij de tijd (en uiteraard ook bij de Queen’s Council Edward) De laatste puinhopen van de Tweede Wereldoorlog zijn nog niet opgeruimd. Men gelooft nog steeds dat Engeland de golven regeert. Generaties opgegroeid ergens in het tanende Britse Imperium houden krampachtig vast aan de oude waarden. Zo slecht hebben we het toch niet gedaan?

De verweesde jonge vrouw Betty, geboren in Sjanghai, in de oorlog werkzaam geweest op de decodeerafdeling én daarna in een kamp terechtgekomen, kan niet aarden in Londen en gaat terug naar Hong Kong waar ze is opgegroeid. Geld heeft ze niet, dat komt pas veel later los op haar dertigste. Maar er is een huwelijksaanzoek ‘van een goede partij’. Edward Feathers – bijgenaamd Old Filth, de oorspronkelijke titel van het eerste deel, Failed in London Try Hong Kong – is niet op de knieën neergezonken, maar heeft op papier van zijn firma en in vormelijke taal haar zijn casus voorgelegd.

Ter plekke laat ze hem het aanzoek nog eenmaal mondeling herhalen en besluit dan om ‘ja’ te zeggen, ondanks haar gevoel. Ze weet ook wel dat het in feite een verstandshuwelijk zal worden. Desondanks voldoet ze aan zijn dwingende voorwaarde: zij mag hem beslist nooit in de steek laten. (En wie hanteert gedurende de rest van de roman het adagium ‘het werk gaat voor het meisje’?) Edward, geboren in Maleisië is ook verweesd, heeft zijn schooltijd doorgebracht op internaten. De vroege zelfstandigheid zou voor ruggengraat zorgen, maar levert doorgaans levenslange trauma’s op. Betty weet instinctmatig dat Edward een breuk niet zal kunnen verdragen.

Ze is vast besloten – geheel naar de wensen van haar overleden ouders, in de traditie van de Britse bovenklasse – deze knappe, stugge man trouw te zijn tot in de dood. Op dat moment weet ze nog niet dat ze daarna op een diner bij haar oom de rechter als een blok zal vallen voor ene Terry Veneering. De aartsrivaal van Edward. Zijn tegenpool in alles. Iemand die volgens Edward een getrouwde snobistische rokkenjager is. Het is een uur te laat voor Betsy, volgens de dan heersende moraal. (Waar bijna iedereen nu zou zeggen: Jammer Edward.) Maar ze geeft zich eenmaal over, wil één totaal private herinnering aan hartstocht waar ze desnoods een leven lang op kan teren.

De kracht van de roman zit in de geraffineerde compositie en de pulserende stijl. Gardam brengt langzamerhand steeds meer gevoel aan in de tekst, doseert adequaat de typische onderkoelde Engelse humor, die samen met a cuppa tea al tijden de Britse remedie is tegen de last van het leven. In het eerste hoofdstuk van het eerste deel van Een trouwe vrouw – misschien wel een betere titel dan het origineel The Man with the Wooden Hat, al heeft die weer andere connotaties – is Betty overleden en slijt Edward alsnog zijn dagen al lijdend in hun goed verscholen huis op het land in Dorset. Daarna gaan we een halve eeuw terug in de tijd, de tijd van het voorgenomen huwelijk tussen Edward en Betty en de strubbelingen daaraan voorafgaand.

In het tweede deel gebruikt Gardam de inhoud van brieven en ansichtkaarten die Betty verstuurt tijdens haar huwelijksreis om haar ‘verwardheid’, haar twijfels te laten zien. Met grappige vooruitwijzingen, zoals: ‘Kaart onverstuurd, vijftig jaar later in de Donheads aangetroffen onder de kussens van een grote rode stoel’. Er zijn momenten waarop Betty oprechte gevoelens voor Edward kan opbrengen. Goed gecondenseerd in enkele scènes. De onverwachte aankoop door Edward van een fauteuil waar Betty haar zinnen op heeft gezet bijvoorbeeld. Zijn onbeholpen doortastendheid ontroert haar. Edward sleept haar door Azië en Europa mee op de huwelijksreis. Het is allemaal goed bedoeld, maar met haar wensen wordt eigenlijk geen rekening gehouden. Hij informeert niet naar haar welbevinden, handelt vanuit zijn beroep, zijn opvoeding, de traditie. Het is de tijd waarin de getrouwde vrouw schatplichtig is aan de man, zonder zijn toestemming geen eigen bankrekening mag hebben, geen rijbewijs mag halen.

Betty is eigenlijk nergens echt thuis, al voelt ze zich in Londen na de huwelijksreis wel op haar gemak. Gardam onderstreept dit door – wel heel duidelijk – vooruit en terug te gaan in de tijd. Het ene moment zijn we in Londen, dan weer in Hong Kong, dan op de ‘laatste rustplaats’ in de Donheads in Dorset. Na een miskraam is Betty via een vriendin min of meer ondergedoken op het platteland. Edward is uiteraard met een zaak bezig, denkt – en dat wordt pas achteraf duidelijk in het laatste deel – dat Betty er met Veenering vandoor is. Hij weet haar uiteindelijk te vinden, door half Dorset door te kruizen met zijn automobiel. Is dat ‘houden van’, getuigt het van integerheid, of is het gebaseerd op jaloezie, op verlatingsangst? Deze roman wordt steeds meer ingenomen door Betty, door haar levenslange twijfels, door haar rotsvaste voornemen. Het echtpaar blijft kinderloos, maar Betty projecteert al haar (moeder)liefde op Harry, de zoon van Veenering.

In deel vier haalt Gradam weer een ander stijlmiddel uit de kast om het huwelijk te duiden. Het begint met een soort toneeltekst. Het samenleven van het oudere echtpaar heeft ook iets weg gekregen van een bedaagde klucht. Zij fanatiek bezig in de tuin, hij gebogen over een grootse studie die hij nog wil afronden, of turend naar de roeken die ‘een rechtszaak uitvechten’. Zij neemt de kerk over, begint allerlei clubjes en doet met blij gemoed aan fondsenwerving voor goede doelen. Hij is allang geridderd en zij wordt uiteindelijk ook onderscheiden voor haar vrijwilligerswerk. Zeer succesvolle levens, zou je denken. De herinneringen komen bijna onverdraaglijk hard binnen wanneer in 1997 Hong Kong terugvalt aan China, symbolisch voor het afsnijden van hun verleden.

Gardam weet je in koloniale sferen te brengen, net zo goed maakt ze het Engeland van de jaren vijftig en zestig levensecht. En tenslotte is de gezapigheid, de wil om nog eenmaal uit te breken, bij de gepensioneerden (vooralsnog vanuit de verte) zeer herkenbaar. Gardam heeft wat dat betreft een mooie ‘uitvlucht’ voor Betty bedacht. Juist op het moment dat ze daadwerkelijk heeft besloten om haar koffers te pakken, gaat ze er inderdaad vandoor. U begrijpt het wel. En heeft Edward soms ook nog iets te melden aangaande hartstocht? En wie is de nieuwe buurman, toch niet…? Een trouwe vrouw is het verslag van een huwelijk gelijk het Britse imperium, voor de lieve vrede in stand gehouden. Opdat maar niemand gezichtsverlies leidt. Maar is er door een van de personages ook maar iets gewonnen?

Terug