Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken van Arjen van Veelen

Verwerkingsliteratuur kan tranentrekkend zijn, maar voor de manier waarop Arjen van Veelen (1980) de vriendschap met de jong gestorven Vlaamse journalist en schrijver Thomas Blondeau (1978 – 2013) laat stollen – en tegelijk bij de lezer laat opwarmen – in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken kun je alleen maar een diepe buiging maken.

Van Veelen studeerde klassieke talen en journalistiek en werkte daarna als leraar Grieks en Latijn en Amerikacorrespondent. Het ware kunststuk van deze roman is de soepele verbinding van zijn eigen Amerikaverhaal, feitelijk zijn escapisme na de dood van zijn boezemvriend, zijn kennis van de antieke wereld en zijn herinneringen aan het ontstaan van de vriendschap, met in eerste instantie een mentor – volgeling karakter. Drie vertelperspectieven die tegen elkaar aan schuren en als zodanig een nieuw totaalverhaal vormen.

Het is een scherpe zelfanalyse, een monument voor een waarachtige vriendschap, een eerlijk boek, een subtiele rouwverwerking. Van idealisering is eigenlijk geen sprake. Ja, er sluimert bewondering doorheen, of eerder verwondering voor de levensmoed van de vriend. Daarnaast is het door de lichte kanteling van feiten, door het volgen van verbindingswegen toch echt een roman. Van Veelen lost hiermee een ‘schuld’ in aan een verbond, smelt samen met zijn onderwerp. Hij komt een kroegafspraak na. Want ook, misschien wel juist, die woorden die aan een houten stamtafel losjes de lucht in worden gegooid, verdienen serieus te worden genomen.

De twee jaar oudere Blondeau, het personage dat Van Veelen van hem heeft gemaakt, stimuleert de piepjonge student klassieke talen om veel te lezen, om de gezapigheid, de zekerheid voor te zijn, om te gaan schrijven, om waarachtig en groots te leven voor het te laat is. Zelf geeft hij het goede voorbeeld. Hij studeert weliswaar literatuurwetenschappen in Leiden, maar liever zuigt hij de woorden van derden op, sleutelt jaren aan een dichtbundel met de o zo herkenbare onrust. De borst vol angst de gedroomde daden niet te kunnen verwezenlijken.

Het personage Van Veelen besluit na een ietwat lethargische periode in de Verenigde Staten – zijn vrouw werkt mee aan een wetenschappelijk project aan de universiteit van St. Louis – om een reis te maken naar Egypte, specifiek naar Alexandrië. De stad waar in de oudheid de grootste bibliotheek geweest schijnt te zijn. Waar men alle kennis van de wereld wilde verzamelen. Waar helaas geen papyrusrol meer van over is. Maar de bibliotheek is in ere hersteld. Er is een nieuw gebouw neergezet, in de vorm van een gestrand ruimteschip.

Het is de bedoeling om aldaar de drie romans van zijn vriend, alsook zijn eigen voorstudie als verstekelingen in de bibliotheek achter te laten, desnoods met een briefje en een bankbiljet met het verzoek na ontdekking de boeken terug te zetten op de planken. Ondertussen, de auteur is niet voor niets essayistisch reisjournalist, kan hij de bezienswaardigheden die voor hemzelf belangrijk zijn volgens een strak, eigenlijk uit de oudheid stammend stratenplan aflopen, afvinken.

Van Veelen vernieuwt de antieke wereld met zijn beschrijvingen, laat zien dat we nog steeds schatplichtig zijn aan de oude beschavingen. Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is beslist geen Wikipedia-boek. De auteur etaleert zijn kennis niet, maar zet deze in voor het grotere verhaal, voor het groter goed. Voor het vastleggen van de stadia van rouw, voor het schrijfproces ook.

Het leven is geen verhaal. Van Veelen doet precies wat nodig is om de tijd te comprimeren. De dood maakt egoïstisch. Denk maar eens aan al die mensen die na het overlijden van een bekendheid of van een kennis op de sociale media, een facebookvriend, hun ‘empathie’ tonen. Zichzelf en hun relatie tot de persoon in kwestie centraal stellen. Deze roman, de manier waarop de vriendschap wordt gevierd, is juist altruïstisch. Samen zwijgen is het mooiste. Het is in de ik-vorm geschreven, maar Van Veelen, de schrijver, heeft zichzelf gloedvol weten te begoochelen.

Hij voelt zo nu en dan jaloezie voor zijn jongere ik, voor de nauwkeurige nieuwsgierigheid, voor het geconcentreerde enthousiasme. En dat is precies wat leermeester Blondeau bedoelde. Je bent geboren om je ogen open te houden. Om tot aan het bittere einde vol verwachting te zijn. Om de dood het hoofd te bieden, ondanks de vergeefsheid. Je kunt je schamen voor de persoon die je in het verleden was, maar, poneert Van Veelen terecht, wie weet hoe je huidige ik door je toekomstige zelf zal worden uitgelachen. Je mag het momentum koesteren, de ernst van de ziel van het heden.

De rouwende reisjournalist loopt door Alexandrië om vast te stellen dat daar het meeste niet meer is. Het is een sarcofaag. Over wat er ooit was, wordt beton gestort. Lelijke flat- en kantoorgebouwen. De drie obelisken die door keizer Augustus naar de stad zijn versleept en daar 1.800 jaar hebben gestaan, bevinden zich inmiddels al lang in Londen, Parijs en New York. Zoals ook zijn vriend nog slecht in herinnering bestaat, in een symbolisch cadeau dat hij met zich meedraagt, een Zwitsers zakmes dat hij van hem ooit heeft gekregen ter verontschuldiging en ook ter bevestiging van de vriendschap.

De roman bevat ook een ‘paper’ over Alexander de Grote, over de mens achter de oorlogsmachine. Van Veelen ontleedt moderne zowel als antieke mechanismen. Hij vergelijkt en verbindt. Is ook een kind van zijn generatie, gebruikt alles, zelfs games en hyperlinks, om dichtbij zijn vriend, bij zijn gevoelens te komen. Hij wil hem beslist niet ‘een plaatsje geven’, dat is namelijk het begin van het vergeten, het inlijsten in een fotolijstje. Het reduceren tot een platte nagedachtenis. In Amerika bezoekt hij de gevaarlijke wijken in St. Louis, verzamelt op die manier de straatdoden, brengt zich bewust een beetje in gevaar, wil de dood trotseren.

Het verstrengelen van de drie verhalen geeft af en toe ook de mogelijkheid van een schijnbeweging. Een van de bezienswaardigheden in Alexandrië is de kleine etage op de tweede etage waar de dichter Kaváfis een kwart eeuw doorbracht. De voordeur die Van Veelen vervolgens doorgaat, is die van de gestorven vriend, eveneens op de tweede etage, maar dan op de Prinsengracht in Amsterdam.

De bibliotheek van Alexandrië bevat geen boekenplanken meer, althans niet in de openbare ruimtes. Alle kennis van de wereld wordt nu digitaal verzameld op een aantal aan elkaar gekoppelde monstercomputers. Het plan lijkt hier te stranden, maar er volgt toch een verlichting. Roerende scènes. Je kunt natuurlijk wel een commentaar bij een gevonden artikel in de digitale bibliotheek achterlaten. De symbolische werking van de tandenstoker van het zakmes. Een kleine onverwoestbare obelisk op zich.

Arjen van Veelen heeft met deze roman een universele obelisk voor de vriendschap opgericht, liefdevol, amusant, gepast weemoedig, geschreven in een prettig, sprankelend, zeer doordacht idioom. Een mooie reactie op een ‘volkomen onverwachts’ overlijden komt van Thomas Blondeau zelf: ‘Hoezo onverwachts? Onsterfelijkheid, dat zou pas een verrassing zijn.’ Aan de vergetelheid ontrukken, ook al is het maar voor even, dat doet deze roman zeker. En dat alleen al is een enorme verdienste.

Terug