Het labyrint der geesten van Carlos Ruiz Zafón

Het antwoord ligt bijna altijd in het verleden

Lang verwacht, en er eindelijk uitgeperst: Het labyrint der geesten, het vierde en laatste romandeel in de serie rondom Het Kerkhof der Vergeten Boeken van de Catalaanse, en inmiddels door zijn jarenlange verblijf in Los Angeles, veramerikaanste schrijver Carlos Ruiz Zafón (1964). Een machtige pil van 928 pagina’s in het origineel, 940 pagina’s in het Duits en 845 in het Nederlands. Is het de laatste paukenslag geworden die de lezer op de grondvesten doet schudden?

Vooropgesteld: Zafón weet alle losse draadjes uit de eerste drie delen goed vast te knopen. Lezers van het eerdere werk moeten beslist dit slotdeel lezen om te weten hoe de verschillende zaken nu daadwerkelijk in elkaar steken. Geen open eindes. Het wordt duidelijk wie de architecten zijn van alle nachtmerries. Alle bekende personages komen terug en leggen zo zoetjesaan hun maskers af. Niemand is wie hij of zij aanvankelijk lijkt te zijn. Het overbekende spel van het leven dat de drijvende kracht is achter de hele serie. Ook deze roman is overigens zonder kennis van het voorafgaande tot je te nemen. Altijd een verdienste op zich.

Het is gedurfd om voor de ontknoping van de intrige, voor het slotakkoord, nog een nieuw personage op te voeren. Een personage dat symbool staat voor de tweestrijd van de mens, de verbintenis van goed en kwaad. De jonge spionne Alicia Gris is een femme fatale, een ongekende schoonheid, maar op een vampierachtige manier. Ze ziet lijkbleek door de voortdurende pijn van een enorm litteken op haar dij, een wond veroorzaakt door het bombardement op Barcelona eind jaren dertig.

Het is 1959, een gedenkwaardig jaar. Gris wordt door de politieke politie waarvoor ze werkt teruggestuurd naar haar geboorteplek Barcelona om de verdwijning te onderzoeken van de invloedrijke minister van cultuur Mauricio Valls, de voormalige directeur van de gevangenis van Montjuïc. In zijn bezit bevindt zich een geheimzinnig boek uit de serie ‘Het labyrint der geesten’, dat Alicia uiteindelijk naar de bekende boekhandel van Sempere en zonen voert, alwaar uiteindelijk de wrede waarheid achter het handelen van Valls en consorten duidelijk wordt. Wil Valls wel gevonden worden, willen de opdrachtgevers van Alicia wel dat de minister gevonden wordt? Of wat zal er met hem gebeuren als dat daadwerkelijk het geval is?

De roman begint gloedvol, met een verslag van Fermín die ‘asiel op zee’ heeft gevonden en zichzelf als verstekeling verstopt houdt in een kist met oude geweren, op de vlucht voor de agenten van de nationalisten. Fermín is verraden, maar overleeft een zeemansgraf op wonderbaarlijke wijze. (Er komen heel wat personages op fijn gruwelijk wijze om, of overleven miraculeus. Doorgaans lekker plastisch beschreven.) Hier zie je dat Zafón wel degelijk goed kan schrijven, een indringend sfeerbeeld kan oproepen. Maar het lijvige vervolg maakt een wat vermoeide indruk, een beetje alsof de fut eruit is. Zafón is te breedsprakig, valt in de verschillende verhaallijnen nogal eens in herhaling, legt te veel uit.

Een hapklare brok wordt het boek daardoor niet. Het roffelt zachtjes door. Ja, er zijn wel bekkenslagen, zo af en toe laat Zafón de lezer echt de gezichten van de personages lezen, maar de absolute betovering van het eerste, het beste deel van de serie, De schaduw van de wind, is hier slechts af en toe te vinden. Het toevoegen van nog een paar geheimzinnige onderaardse gewelven en wat geheimzinnige brieven en kattenbelletjes kan de boel niet helemaal redden. De spanningsboog staat vrij slap. Het is de vraag of de schrijver juist in Het labyrint der geesten het overzicht echt heeft weten te bewaren?

Zafón verwerkt heel aardige aforismen, maar evengoed debiteren zijn personages af en toe de grootste flauwiteiten. Een arts beziet Alicia Gris met chirurgische precisie. Alicia die wel degelijk een intrigerend personage is, iemand wiens verhaallijn je wel op de voet, op de gepijnigde benen wil volgen. Ze zet de mannelijke chauvinisten vaak lekker op hun nummer, maakt het haar achtervolgers gemakkelijk door haar dagagenda vast in de ochtend af te geven.

Je komt meer te weten over de geschiedenis van Barcelona, over de architectuur. Die stukken zijn wel goed verweven in de tekst, maken geen wijsneuzerige indruk. ‘Barcelona is een behekst huis, het komt simpelweg nooit in u, toeristen, op om achter het gordijn te kijken.’

Het is niet zo gek dat er af en toe ook wijsheden over ‘het schrijven’ in de tekst opduiken. De meesten van de protagonisten hebben aspiraties in die richting. ‘Tussen tikken en schrijven liggen lichtjaren.’ ‘Schrijft een mens niet om zichzelf en de wereld beter te begrijpen?’ De barokke taal van Fermín blijft iets ontroerends, iets komisch ook houden. Deze ‘oude knakker’ verandert natuurlijk ook niet van idioom. De taal van de overige personages is wel wat meer aangepast aan de moderne lezer.

De daadwerkelijke ontknoping is belangwekkend, geeft een beeld van de machinaties van regimes, van de corruptie van de macht. Kinderroof en identiteitsfraude. Het inpalmen van de taal, het rond laten zingen van een ‘complot’ om de eigen intriges te bedekken. Het leven, zeker in tijden van repressie, is caleidoscopisch, vereist vele waarheden. Er zijn trouwe aanhangers, meelopers en huurlingen. Zonder financiers geen oorlog. Maar er zijn ook beschermengelen zoals Alicia. Via Daniel Sempere toont Zafón ook de kracht van de menselijkheid, de kracht van vergeving.

Beslist onnodig is een soort licht verschoven autobiografie van de schrijver aan het einde van de roman, ‘geschreven’ door een nazaat van de beroemde boekhandelaar Sempere. Deze Julián legt de keuze uit voor de onderwerpen van de vier romans rondom Het Kerkhof der Vergeten Boeken. (Er zit nog wel een stukje zelfspot in wanneer Zafón Fermín laat zeggen: ‘Ongelukkig zijn zij wier dromen zijn gesmeed van papier en inkt want hun behoort het vagevuur van ijdelheid en ontgoocheling.’) En vertelt vervolgens losjes de printgeschiedenis van Zafón zelf.

Laat de interpretatie toch alsjeblieft over aan de lezer. Het is gewoonweg gevaarlijk wanneer je personages zinnen laat zeggen als ‘Als het voldoende was een verhaal te willen vertellen, dan was de hele wereld romancier.’ Ook al laat je het volgen door de grappige relativering: ‘Stelt u zich die narigheid eens voor, een wereld vol schrijvers.’ Het labyrint der geesten heeft wel degelijk kwaliteiten, maar, waarde heer Carlos, mag het in het vervolg van het onderzoek naar verwondering, naar intrige en ontknoping een pagina of vierhonderd à vijfhonderd minder zijn?

Terug