Onder de Paardendeken. Russische winterverhalen

Gij zult niet bloemlezen. Deze stelling valt bijna altijd te onderschrijven, maar ter lering en vermaak mag je best eens uit je eigen arsenaal putten, zeker wanneer dit zo rijkelijk gevuld is als de Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. Het is al wat guurder buiten, de struiken dragen een grotere voorraad bessen dan andere jaren. Het belooft alsnog een extreem strenge winter te worden. De feestdagen staan weer voor de deur, een tijd van het jaar die door velen overleefd dient te worden.

Tijd voor een haardvuur en een troostrijk boek: Onder de Paardendeken met veertien winterverhalen van Russische hand, van Russische meesters van de weemoed, het misverstand en het noodlot, de geselende lach, van snedige vertellers. Er is goed nagedacht over de samenstelling, wat lengte en wat keuze van de stukken betreft. Eigenlijk alle onderdelen van de winter- en kerstthematiek komen aan bod. Een snoer van lichtpuntjes in de donkere dagen.

Het boek opent met een geestige opwarmer van de criticaster bij uitstek van de Sovjet-Unie, de inmiddels al vijfentachtigjarige meester Vladimir Vojnovitsj. Een aarzelend manspersoon trekt er na aandringen van zijn bazige vrouw op oudjaarsavond – Het Russische kerstfeest vindt plaats op Driekoningen – op uit om alsnog een kerstboom te versieren. Het is de tijd van de Opperste Sovjet en er is schaarste aan alles en corruptie viert hoogtij.

Satiricus Vojnovitsj schuift zijn personage een haast onmogelijke taak in de schoenen, maar de man is banger voor zijn vrouw dan voor de machthebbers. Het armetierige boompje dat hij na veel omzwervingen in de wacht sleept, wordt uiteindelijk in beslaggenomen door een jonge burgerwacht met een witte bontmuts. In al zijn goedheid heeft hij namelijk de kwitantie afgestaan aan een immer beschonken collega van kantoor, om er een plattegrond op te tekenen van de ‘vindplaats’ van de spar. Na een urenlang verhoor wordt hij vrijgelaten.

Zijn vrouw zal woedend zijn over zijn onvermogen, zijn dochter teleurgesteld omdat juist op die avond haar nieuwe vriend voor het eerst langskomt. Maar bij thuiskomst zijn ze alle drie al een boom aan het optuigen. En aan de kapstok hangt een witte bontmuts. Aanvankelijk is er woede, maar die verandert, mede dankzij de knallende kurken, al snel in gelatenheid. Wat kun je als individu ook doen aan het systeem waaraan je overgeleverd bent. Een kwestie van zo goed en zo kwaad zien te overleven. De toon is gezet.

De personages in Vojnovitsj verhaal komen er nog zonder kleerscheuren vanaf. Anders is dat in de beroemde novelle De jas van Nikolaj Gogol (1809 – 1852). De hoofdpersoon is een kleine ambtenaar die geen enkel respect ten deel valt, een geboren onderknuppel. Hij ondergaat de spot van zijn collega’s met een lijdzaam zwijgen, is tevreden wanneer hij foutloos documenten kan kopiëren. Wanneer hij op straat loopt, ziet hij nog overal zinnen. In een onberispelijk handschrift uiteraard. Zelfs thuis op zijn kamer bij de hospita schrijft hij nog over.

Hij leeft voor de letters, is in feite een schrijver zonder succes, tegen de keer. Gogol laat alles en iedereen meewerken aan het schlemielige bestaan. De kou lijkt de ambtenaar bijna als enige op deze gruwelijke wijze te geselen. Hij loopt in zijn tot op de draad versleten jas rond met afval op zijn hoed en schouders. Uiteraard keert men net het vuilnis uit het raam wanneer hij passeert.

Maar door zichzelf een tijdlang af te knijpen, door zijn in kopeken bij elkaar vergaarde spaargeld in te zetten, lukt het hem om een nieuwe jas te laten maken. Gogol zet de eenogige kleermaker die de klus klaart geweldig neer. De nieuwe jas wordt een personage, een vriend, iemand die warmte deelt. Een lichtpuntje in het genadeloze leven, maar het blijft gekocht respect.

Je voorvoelt de triestigheid. Het kan natuurlijk niet duren. Zijn collega’s zien hem ineens staan, nodigen hem zelfs uit voor een avondlijk bacchanaal. Eigenlijk wil hij alleen naar huis met zijn nieuwe vriend, maar hij wil niet achterblijven. De jas wordt hem, ver na zijn normale bedtijd, op straat afgenomen. Waar hij daarna ook gaat om zijn beklag te doen, hij wordt slechts afgeblaft. Een door de barre winter opgelopen koorts velt hem.

Maar daar komt Gogol de kleine man te hulp. De schlemiel duikt overal als geest op om te proberen hoogwaardigheidsbekleders de jassen van het lijf te trekken. De politie krijgt de opdracht om hem, ha, dood of levend in te rekenen. Gogol prent de man in de hoofden van de mensen die hem eerst negeerden, laat hem groeien tot een gevreesde machthebber van de duisternis. De lezer wordt door de schrijver op snedige wijze af en toe aangesproken.

Ook Aleksandr Poesjkin (1799 – 1837) betrekt de lezer nadrukkelijk bij de lotgevallen van twee jonge geliefden in De sneeuwstorm. Een verboden liefde van een jonge freule en een vaandrig. Niet voor niets een aspirant officier. Na ampele overwegingen besluit het o zo romantische wicht om er met haar grote liefde vandoor te gaan. Maar een sneeuwstorm verblindt hen beiden, elk apart op weg naar de kerkelijke inzegening van hun huwelijk. Het is prachtig hoe Poesjkin haar nadien tussen leven en dood laat zweven. De kleine, maar fatale lotswending. En natuurlijk komt haar Vladimir nadien om bij een veldtocht. Hij wordt een ideale kandidaat om te idealiseren.

Jaren later komen lichtgewonde soldaten terug, en eentje van hen, een echte huzaar, trekt de bijzondere aandacht van de freule. Ze neemt zich voor dat hij haar man zal worden, maar wacht, geheel in het teken van de tijd, op zijn eerste stap. Wanneer hij uiteindelijk zijn zwijgen verbreekt, moet hij aan haar een ‘vreselijk geheim’ kwijt. Wat is er in die sneeuwstormnacht daadwerkelijk gebeurd? Een hilarische verwikkeling die aandoet als een soap avant la lettre, maar die door de magnifieke compositie elke keer weer ontroert. Er zijn wel degelijk levens waarin alles ineens op z’n plaats valt.

Anton Tsjechov (1860 – 1904) houdt het in Jongens vervolgens kort, maar, zoals gebruikelijk in zijn geval, intens. Een jongen komt thuis voor de feestdagen en heeft een schoolkameraad van het gymnasium meegenomen. Ze hebben wilde plannen, willen via de Beringstraat Amerika zien te bereiken om daar te vechten met wilde dieren en goud en ivoor mee naar huis te nemen.

Het avontuur lonkt, maar het blijft uiteindelijk bij een schermutseling. Een overnachting in een nabijgelegen station. De veldwachter die de twee opbrengt heeft hen dolend in een straat gevonden, op zoek naar een winkel waar ze kruit konden kopen. Het had hun zomaar de carrière op het gymnasium kunnen kosten, maar het speelse karakter wordt – in het licht van de feestdagen – door de familieleden (h)erkent. Jongens zijn nu eenmaal jongens.

In het fragment uit Dokter Zjivago van Boris Pasternak (1890 – 1960) is de dokter doende met ‘uitgekristalliseerde’ gedichten, gedichten die uiteraard verloren zijn gegaan. Zijn schrijffilosofie komt aan bod, terwijl buiten de wolven loeren, als voorbodes van de vijandelijke kracht. Het afscheid van Lara is op handen, is onvermijdelijk. De dreiging is hier werkelijker, sluipt door de verwoede pogingen van de dokter heen om in ingetogen bewoordingen zijn zieleroerselen vast te leggen.

Een oude man in een klein stadje heeft een jonge zangeres uit Moskou en haar kind onderdak verleend in Sneeuw van Konstantin Paustovski (1892 – 1968). Na een maand overlijdt de man en zij blijft alleen achter, met spijt dat ze de grote stad en de podia heeft moeten verlaten. Er komen brieven van de zoon van de man, een luitenant ter zee bij de Zwarte vloot. Hij is gewond geraakt en schrijft zijn vader weemoedige epistels. Hopelijk krijgt hij na zijn herstel kort verlof om weer het prieeltje te bezoeken, om met de oude kater te spelen en zich met het vers geputte water te wassen. De jonge vrouw leest de brieven en probeert, heel fijnzinnig beschreven, de droom van de luitenant te verwezenlijken. Het leven toont zich opnieuw genadig. Als de mensen het toelaten.

Twee zadelmakers werken in het verhaal Krekel van Ivan Boenin (1870 – 1953) voor een landheer in een stal. De een is jong, groot, sterk en viriel, de ander, bijgenaamd Krekel, is tweemaal zo oud, is klein, heeft een druppende haakneus en is zo goed als blind. Er wordt met hem voortdurende de spot gedreven, maar hij is zelf een goede aangever. Wanneer de landheer met zijn vrouw en de kokkin de schuur bezoeken, valt Krekel uit zijn rol en vertelt een hemeltergend verhaal over het doodvriezen van zijn jonge zoon. Krekel blijkt een volleerd verhalenverteller.

Zijn beschrijving, de vertelling in de vertelling, van een barre dwaaltocht in de bittere vrieskou, bergt alle mededogenloosheid van de natuur in zich. Maar tegelijk weeft hij er barmhartigheid en opofferingsgezindheid in – een landheer die vast is komen te zitten, heeft zijn jas van wasbeerbont uitgedaan om zijn hond te redden. Zelf is hij, net als zijn koetsier en zijn paarden stijf bevroren. Krekel heeft zijn dode beer van een zoon nog uren meegesjouwd, wilde hem koste wat kost niet aan de elementen overlaten. Terwijl de vrouwen hun tranen drogen, gaat Krekel weer aan zijn werk. Door de vertelling is geleidelijk de houding ten opzichte van Krekel radicaal veranderd.

Het personage in Kerstspoken van Maxim Gorki (1868 – 1936) is klaar met het schrijven van zijn kerstverhaal, wanneer er vreemde witte voorwerpen langs zijn venster vliegen. In bed, in de duisternis worden zijn waarnemingen versterkt. Heeft hij zijn verbeelding misschien te veel ruimte gegeven? Hij vertelt zijn eigen verhaal na, waarin twee oudjes in een veld doodvriezen, in het aangezicht van de Heer. Hij vraagt zich af of het vlot en roerend genoeg is. Een eerder commerciële dan inhoudelijke gedachte. In de kersttijd kan de schrijver nu eenmaal eindelijk eens wat verdienen.

Het schrijvende personage is tevreden, maar al snel wordt hij bezocht door een dikke witte wolk met vonkende ogen. Verwijtende blikken van zijn personages, van allen die hij ter vermaak heeft laten doodvriezen. Hij heeft het toch met de beste bedoelingen gedaan, om de harten van de mensen te openen. Maar is dat wel zo, volgde hij niet alleen een theatrale mode? In de ochtend besluit hij het manuscript te vernietigen. Opnieuw een verhaal in een verhaal dat louterend werkt en tegelijk het theatrale element van de kerstvertellingen op de hak neemt.

De ik-persoon in Een kerstfeest en een huwelijk van Fjodor Dostojevski (1821 – 1881) is bij toeval beland op een kinderbal, dat als voorwendsel dient voor gewichtige zaken van de volwassenen. Hij is een buitenstaander en kan dus het zogenaamde familiegeluk goed observeren. Dostojevski zet de verhoudingen uiterst scherp neer. Er is een imposante eregast naar wiens ogen de gastgevers kijken. ‘De lucht is verzadigd met eerbied.’ De eregast merkt de in het plantenhoekje teruggetrokken verteller niet op, en begint, de enorme bruidsschat in gedachten, het dochtertje van de gastgevers dat nog met poppen speelt alvast te paaien.

Zij houdt zich afzijdig, gesteund door het zoontje van de gouvernante. Een sterke scène waarin de onbespiede man zich handenwrijvend heel erg laat kennen. Vijf jaar wachten en nog een hoop rente erbij. Het huwelijk jaren later laat zich raden. O, hoe fragiel Dostojevski het gemoed, het ongeluk van het in stilte om genade smekende, pas zestienjarige meisje schetst.

Kameraad Brak van Gaito Gazdanov (1903 – 1971) is weer eerder een novelle. De kameraad die het draaipunt is in deze geschiedenis, is de jonge vrouw Tatjana, iemand waarvan een groepje opgeschoten mannen vindt dat ze beschermd moet worden tegen de boze buitenwereld, lees: andere mannen. Maar mejuffrouw Brak (Brak = huwelijk in het Russisch, een mooie paradox) is vrijgevochten en gaat haar eigen weg, ‘onteigend’ met haar anarchistische vriend Lazar, een buitengewoon getalenteerd pianist, diverse banken. Er is geen plaats voor sentiment.

De groep waarbij Tatjana zich heeft aangesloten wordt achtervolgd door de Witten, het leger dat nog aan de kant van de Tsaar opereert. Gazdanov schets met veel wrange humor de chaos van het begin van de Russische Revolutie. (De hordes typistes in het kielzog van het leger omschrijft een van de jongelingen als ‘de geslachtsorganen van het staatsapparaat’.) Er gaat, zoals in veel van deze teksten, een enorme vergeefsheid uit van alle acties van de personages. De jongens trekken zuidwaarts om Tatjana te redden, maar komen door het slechte weer veel te laat aan. De tijd, als een personage waarop je af kunt geven, is de schuld van alles. Een heldenepos, door Gazdanov fijn verwoorde tragiek.

Er wordt wat “afgewederd” in deze bundel, maar het verveelt geen moment. Sterker nog: sneeuw ons maar onder. In De sneeuwstorm van Michail Boelgakov (1891 – 1940) loopt een dokter zich bijkans voorbij. Hij heeft in een afgelegen gehucht eigenlijk geen tijd voor zichzelf. Honderden patiënten per dag en dan nog een heel ziekenhuis vol waarvoor hij alleen met een paar zusters verantwoordelijk is. Hij is zelf pas een half jaar van de universiteit, maar is in de omgeving al wereldberoemd.

Een sneeuwstorm brengt in zijn geval juist een rustdag. Voor het eerst sinds een maand eens lekker in bad. Eenmaal ingezeept dient er zich natuurlijk een spoedgeval aan, een behoorlijk aantal wersten verderop. Maar het betreft een aanstaand bruidje dat op de dag van haar huwelijk van een slee is gedonderd. Zal de jonge dokter haar nog weten te redden? Het is de natuur die hier de rol van het lot overneemt. Een sneeuwstorm die eerder als een vriend werd begroet, is plots de vijand. Wanhoop, eindeloos verdwalen. Het onbegonnen vechten tegen de dood.

Er volgt natuurlijk nog een reprise van de wonderdokter van de wonderbaarlijk heldere menselijke geschiedenissen op de korte baan: Anton Tsjechov. Hij is er zelfs in geslaagd om in Een droom; een kerstverhaal een droomgeschiedenis geloofwaardig en interessant neer te zetten. (Normaal is het gebruik van het fenomeen droom een zwaktebod van een schrijver. Het is allemaal niet waar hoor.) Hier wordt de droom juist waarheid, een nachtmerrie, draait de schrijver het gebruik juist om. Een man is tegen wil en dank pandjes-ambtenaar geworden. Hij verstrekt wat kopeken aan arme sloebers voor hun laatste prullen. Op kerstavond wordt hij in zijn droom bezocht door hun geesten, door inbrekers ook. Hij maakt geen gebruik van zijn wapen, maar geeft alles weg. Het was een droom, maar waarom vertelt hij het verhaal dan uit het strafkamp?

In Mijn laatste Kerstmis van de satiricus Michail Zosjtsjenko (1894 – 1958) landt een groepje stoomtreinreizigers wegens de barre weersomstandigheden op een klein stationnetje. De opgelopen vertraging is wellicht de volgende dag te overbruggen. De schrale troost van de stationschef: normaliter is de restauratie open, maar vanwege de vorst gesloten. Men dient zich met de voorstelling van een kerstdiner te verzadigen.

Een zeer gelovig oud heertje werpt zich op als stemmingmaker. Hij zingt onophoudelijk kerstliedjes – je zou voor minder van je geloof vallen – en wil wel als vrijwilliger op pad gaan om bij een kerkje in de verte voor het zielenheil van allen een kaarsje te branden en tegelijk wat eet- en drinkwaren te bemachtigen. Het hele gezelschap lapt flink. Ook wanneer de trein de volgende ochtend weer vertrekt, is van de oude opportunist nog niets vernomen, al meent de verteller zijn irritante tenor nog te horen, het kindeke Jezus bezingend.

Opnieuw een vertelling in een vertelling sluit Onder de paardendeken af. In Ida van Ivan Boenin komt een uitgelezen gezelschap van kunstenaars en kunstliefhebbers tezamen in restaurant groot Moskou. De componist van het gezelschap wil eens groot uitpakken. En bij het drink- en eetfestijn hoort natuurlijk ook een passend verhaal. Ida is een uiterst lief meisje, een jeugdvriendin van de vrouw van een creatieveling. Ze is zo ongekunsteld dat ze hem eigenlijk nauwelijks opvalt. Hij – fijne kunstenaarszelfspot van Boenin – trekt zich liever terug in zijn werkkamer om grootse zaken de liefde aangaande te scheppen.

Jaren later gaat de kunstenaar, tevens landeigenaar, rond kerstmis op reis. Opnieuw wordt de trein opgehouden door een sneeuwstorm. Maar ditmaal is het station voorzien van alle gemakken. Na zichzelf opgeknapt te hebben, is de kunstenaar van plan om eens flink te gaan eten en drinken. En wie staat daar ineens voor zijn neus: Ida, een adembenemende vrouw inmiddels, die een jongeman heeft getrouwd uit de beste kringen. Ida die duidelijk de baas is in die verhouding, de jongeman die zich dat met zeer veel genoegen laat welgevallen. De spot in haar ogen valt ook de kunstenaar ineens op. Ida troont hem mee naar het einde van het besneeuwde perron en doet een bekentenis.

De verteller zegt dat zijn beschrijving tekort doet aan de geladenheid van de situatie. Het is de eeuwige makke van de scheppende mens: de onvolkomenheid van de middelen. In dit geval de taal. Maar Boenin weet de sfeer middels zijn verteller juist heel goed op te roepen. Een sterk verhaal over verblinding, over het niet naar waarde weten te schatten van zaken, mensen, gevoelens die spontaan op iemands weg komen.

Deze bundeling bewijst maar eens dat de oude Russen nog steeds springlevend zijn. Tezamen vormen deze verhalen zowel een goede eerste kennismaking, alsook voor de kenners van de Russische literatuur, juist door de samenstelling, een hartverwarmend weerzien. Een inkijk in de krochten van de negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse Russische ziel, die nauwelijks iets verschilt van die van de huidige (gevoels)mens. Spoed u naar de boekhandelaar en laat u door deze verzamelaar besneeuwen.

Terug

Deel deze pagina