Tsjaikovskistraat 40 van Pieter Waterdrinker

Het grootste cachot op de wereld

‘Was treuren om de geschiedenis niet iets voor ouderen, de buitenste schil van het bataljon, klaar om als eerste te worden afgeroomd?’

Is Tsjaikovskistraat 40, een autobiografische vertelling uit Rusland werkelijk het allerlaatste schrijfsel van Pieter Waterdrinker (1961) over Rusland, zoals hij op pagina 348 vermeldt? Aan een dergelijk statement kan altijd worden getornd. Dit is immers het memoir van een schrijver, van een standwerker met de verbeelding. Je schrijft in de ik-vorm, maar daarom kun je situaties nog wel samen laten smelten. Het geheugen is een oplichter pur sang. Zoveel lieden zoveel waarheden. Dit alles doet aan de oprechtheid, aan de eerlijkheid van fictie geen afbreuk. De schrijver die dichtbij zichzelf blijft – hetgeen wat anders is dan puur autobiografisch schetsen – heeft de meeste kans op grootse literatuur.

Waterdrinker is de man van drie verhalenbundels en acht deels monumentale romans. Tsjaikovskistraat 40 nadrukkelijk meegerekend, ook voor de bescherming van de schrijver. De tierlantijnen die hij beschrijft aangaande het literaire wereldje, het steekspel, de kontkruiperij kan zo nog onder het kopje ironie worden gevat. Miskenning en verongelijktheid krijgen anders iets larmoyants.

Het is waar: je zou van al het gekrakeel schimmel in je kop krijgen en grachtengordelroos over je hele lijf. Maar beter is het toch elke keer weer te slikken en in stilte gewoon door te gaan. Zitten en tikken, Pieter! Koester de trossen mooie recensies die je bijvoorbeeld vorig jaar kreeg voor het epische panorama Poubelle. Ook al koop je daar wellicht uiteindelijk weinig khleb voor. Een langdurig verblijf in de (literaire) wereld maakt een mens er niet heel erg veel minder cynisch op.

Er is geen gerechtigheid. Kwaliteit komt bij sommige uitgeefhuizen – om niet te zeggen boekfabrieken – als je geluk hebt op het derde plan. (Je worstelt ondertussen om de juiste mix te vinden van vorm, idioom en gelaagdheid.) De succesnummermakers, journalisten incluis, zijn over het algemeen in heel andere, vaak periferische c.q. perfide zaken geïnteresseerd.

Het personage Waterdrinker (Peewee) in Tsjaikovskistraat 40 is helemaal literatureluur geworden van het geschrijf, of eerder nog van het publiceren en het theater dat er sinds decennia omheen is ontstaan. Eigenlijk wil hij er de brui aangeven, maar zijn zwager wil een nieuwe business opzetten en daar heeft hij geld voor nodig. Ten langen leste besluit Peewee om een van zijn uitgevers te contacteren. Een heruitgave van de ‘schelmenroman’ Lenins balsem valt natuurlijk wel te overwegen in het herdenkingsjaar van de Oktoberrevolutie, maar de rechten op dat boek zijn gegijzeld.

Er wordt een deal gemaakt. Een persoonlijk verslag van de decennia die de schrijver in Rusland heeft doorgebracht, gecombineerd met een stuk geschiedenis van een eeuw geleden. Het voorschot van tienduizend euro – niet mis hoor, zeker in deze tijd – verdwijnt direct in de zeilboot van de schoonbroer. Heerlijke vergeefsheid waarmee het boek is doordrenkt. De frisse tegenzin waarmee aan het werk wordt gegaan heeft iets vermakelijks. Het boek in het boek dat zo wordt gecreëerd, houdt men uiteindelijk in de hand. Een schepping tegen de keer, een stil protest ook, een monument voor de overlever, voor de gade aan zijn zijde, die hem de tijd heeft gegund. Het verslag van een persoonlijke revolutie.

De geschiedenisstukken zijn over het algemeen wel bekend, al voegt de schrijver zelfs voor de ‘doorgeleerde’ Ruslandliefhebber nog opvallende, zeer sprekende (lees: gruwelijke) details toe. Vooral de stukken die spelen eind jaren tachtig en negentig, wanneer alles mogelijk leek in het opengebroken land, zijn van weergaloze klasse. Een aanstekelijke tijdspiegel met kansen te over om het helemaal te maken. Om de pot met goud binnen te halen. Maar is Peewee niet gewoon een geboren romanticus, iemand die wil leven om te absorberen, om de ogen open te houden en om te verhalen?

De teleurstelling zit in de genen ingebakken. Vader en moeder dreven een strandhotel met een café-restaurant. Een leven lang ploeteren om uiteindelijk met een fooi de laatste jaren verkankerd te zien, ook letterlijk. Vader, onder de indruk van de ‘geleerdheid’ van een boekhouder, was door die laaienlichter goed getild. Peewee heeft een zakenpartner waarmee hij importeert en exporteert. (Ronduit ge-wel-di-ge sjacheraarverhalen. In een land dat een theater op zich is.) Tonnen verdienen ze samen, maar de jeugdige schavuit vergeet bijtijds te incasseren. En dan is er plotseling niets meer, en ook geen bewijsmateriaal.

Waterdrinker heeft een borstkas vol. Een Zandvoortse zeeziel, een Russisch gemoed. Hoe fraai verwoordt hij de vergeefsheid van het menselijk handelen, van het bestaan. De wereld, waar dan ook, wordt nu eenmaal geregeerd door willekeur. Daar valt niets aan te doen, anders dan door het absurdistische van het dagelijkse in woorden te vatten, dwars door de chronologie van de tijd heen. Hij zegt terecht dat de geschiedenis zich niet herhaalt, maar dat die rijmt. Gelijkend, maar net even anders.

De roman opent met een Bijbelmissie, de eerste echte kennismaking van Peewee met het uitgestrekte land. Hilarisch, maar onderhuids zo pijnlijk, tragikomisch. Je kunt grimlachen om de mislukking, maar je proeft tegelijk ook de verwondering, de pijn om arbeid die je eigenlijk tegen je zin, tegen je geweten in verricht, de zoektocht naar schoonheid, ja, naar liefde.

De allereerste aanzetten van de Oktoberrevolutie speelden zich af in de wijk waar de Tsjaikovskistraat ligt. Hoe tekenend vernoemd naar een obscure communist en niet naar de componist.

En uitgerekend in deze slagaders liep ik nu en woonde ik, bijna honderd jaar later: een prachtig uitgangspunt voor een persoonlijk boek over de Russische Revolutie van 1917. Je versierde met enig patina je eigen leven, ontleende volop aan wat anderen hadden geschreven, met ruime bronvermelding, verzon er desnoods wat bij, roerde alles door elkaar, als de ingrediënten van een stevige gebonden soep, et voilà: het boek had als het ware zichzelf geschreven. Het trucje van de non-fictie, tegenwoordig zo veelgeprezen, even gelikt als doortrapt.

Daar doet Waterdrinker zich tekort. Door de roman speelt meer dan genoeg zelfspot. In feite is dit boek een parodie op een dergelijke trukendoos. Hij noemt reisverhalen stomvervelend. Maar juist van de schelmachtige omzwervingen van Peewee kun je, vanwege het hoge Švejk-gehalte niet genoeg krijgen, daar waar andere ‘ik was erbij-verhalen’ doorgaans onverteerbaar zijn. Nogmaals: Pieter, zitten en tikken! Je weet toch dat schrijven een levenslange blijde aandoening is. Geef je over aan de ‘onbezonnenheid’. Ook al beschouw jij, geheel in de lijn van de Slavische ziel, geluk eerder als een staat waarin het ongeluk even afwezig is. ‘Ik denk, maar dat weet ik niet zeker, dat mensen die gelukkig zijn helemaal nooit aan schrijven denken.’ Die weemoedige gloed is vaak in deze roman te voelen. En dat is een goede zaak.

Terug

Deel deze pagina